Arts-onderzoeker Cardiologie (AMC)

De afdeling Cardiologie van het Academisch Medisch Centrum heeft een vacature voor de functie van arts-onderzoeker binnen het cluster “Congenitale Hartafwijkingen”. Binnen dit cluster wordt onderzoek gedaan naar diagnostiek, behandeling en lange termijn complicaties bij volwassen patiënten met aangeboren hartafwijkingen.

Achtergrond: De Congenitale Cardiologie is een dynamisch specialisme binnen de cardiologie met een betrekkelijk nieuwe en groeiende patiëntengroep. Terwijl vroeger 85% van deze patiënten al op kinderleeftijd kwam te overlijden, bereikt dankzij de succesvolle resultaten van de hartchirurgie nu 90% van deze patiënten de volwassen leeftijd. De verbeterde levensverwachting gaat echter wel gepaard met restafwijkingen aan het hart waar patiënten nog veel last van kunnen ondervinden op latere leeftijd.

Functiebeschrijving:
In het bijzonder gaat dit promotieonderzoek over het ontstaan en de behandeling van pulmonale arteriële hypertensie bij deze patiënten. Het project zal onderdeel uitmaken van de landelijke registratie van volwassenen met een aangeboren hartafwijking (CONCOR; 16.500 patiënten). Gedurende het promotietraject houdt de arts-onderzoeker zich zowel bezig met epidemiologisch onderzoek als patiëntgebonden onderzoek.
Het betreft een 3-jarig promotietraject, met aanvankelijk een dienstverband voor 1 jaar. Salaris conform CAO-UMC. De functie is per direct beschikbaar. Ook studenten geneeskunde die in het komende maanden afstuderen, worden aangemoedigd te solliciteren.
Voor meer informatie of solliciteren op de functie, neem contact op met dr. B.J. Bouma (b.j.bouma@amc.uva.nl) of prof. dr. B.J.M. Mulder (b.j.mulder@amc.uva.nl

Genotype effecten van overleving bij Marfan syndroom

In een studie onder 570 volwassen patiënten met het Marfan syndroom die geïncludeerd zijn in de nationale CONCOR registratie, heeft dr. R. Franken (voormalig arts-onderzoeker bij het CONCOR project) het voorkomen van sterfte en dissectie onderzocht. Het onderzoek met een follow-up van 10 jaar is in november 2016 gepubliceerd in het European Heart Journal. De 10-jaars overleving in deze jonge patiëntengroep (gemiddelde leeftijd 36,5 jaar) is 94%, de overleving zonder aortadissectie 84%. Van alle patiënten bleek 41% een genotype te hebben dat is geassocieerd met verminderd fibrilline-1 eiwit in de aortawand. Deze patiënten hebben een 2,5 keer verhoogd risico op cardiovasculaire sterfte en aortadissectie vergeleken met patiënten met een normaal genotype. Het is belangrijk patiënten met een hoog risico op sterfte en dissectie op te sporen, omdat bij hen een meer agressieve behandelstrategie met bijvoorbeeld losartan bovenop bètablokker therapie geïndiceerd kan zijn.

Onderzoek naar het voorkomen van plotse hartdood

Een van de belangrijkste speerpunten van Concor is het voorkómen van vroegtijdig overlijden bij patiënten met een aangeboren hartafwijking. De op één na meest voorkomende doodsoorzaak –de meest voorkomende is hartfalen– is plotse hartdood. Plotse hartdood wordt in het overgrote deel veroorzaakt door gevaarlijke hartkamer-ritmestoornissen (kamerfibrilleren). Hierbij gaan er zoveel chaotische elektrische signalen door de hartkamer dat het hart niet meer samenknijpt. In de volksmond “een hartstilstand”. Een implanteerbare defibrillator (ICD) kan deze ritmestoornis detecteren en met een elektrische schok beëindigen. Het is alleen niet duidelijk welke patiënten een ICD moeten krijgen. Recent zijn er richtlijnen verschenen die een poging hebben gedaan duidelijkheid te scheppen hierin. Het is echter nog niet helder of deze richtlijnen daadwerkelijk de juiste patiënten eruit kunnen halen die zo’n ICD nodig hebben.


Daarom heeft Concor-onderzoeker Jim Vehmeijer in data van Concor gecombineerd met data uit Leuven (België) en Toronto (Canada) onderzocht of de aanbevelingen in deze richtlijnen wel kloppen. Patiënten die overleden waren aan plotse hartdood werden hiervoor vergeleken met overlevende controle-patiënten van dezelfde leeftijd. Uit de studie bleek dat de 35-40% van de overleden patiënten volgens de richtlijnen een ICD hadden moeten krijgen. Het grootste deel van de patiënten waren dus ook met deze nieuwe richtlijnen niet beschermd geweest tegen plotse hartdood. Daarnaast had ongeveer 15% van de controle-patiënten ook een ICD moeten krijgen volgens de richtlijnen. Dit kan weer voor onnodige complicaties van de ingreep en het apparaat zorgen. Al met al was het voorspellend vermogen van de richtlijnen voor wie daadwerkelijk plotse hartdood kreeg matig.


Kortom, de richtlijnen zijn weliswaar een stap in de richting om meer duidelijkheid te scheppen over welke patiënten een hoog risico hebben op plotse hartdood, en dus een ICD moeten krijgen. Echter is er nog steeds meer onderzoek nodig om dit te verfijnen. In de tussentijd is het belangrijk om naast het volgen van de richtlijnen ook goed naar de individuele patiënt te blijven kijken.

E-Health bij volwassenen met een aangeboren hartafwijking

Mark Schuuring heeft een cheque mogen ontvangen van de Hartstichting. Dit is het resultaat van de innovatie subsidie middels crowdfunding voor het onderzoek dat hij samen met Michiel Winter heeft opgezet naar eHealth bij volwassenen met een aangeboren hartafwijking. Het doel was 50.000 euro aan sponsoring te werven, dat doel is ruimschoots behaald.
Als artsen en patiënten meer gebruikmaken van beschikbare technieken, zoals apps, kunnen artsen eerder ingrijpen bij levensbedreigende situaties. Het zou bovendien veel angst en onzekerheid voorkomen bij patiënten, zoals Dayenne Zwaagman, geboren met een hartafwijking.

Schuuring: ‘Er is technisch al heel veel mogelijk om de zorg te verbeteren. Patiënten kunnen bijvoorbeeld hun hartslag en bloeddruk thuis meten en naar hun arts doorsturen om te beoordelen. Ook voor betere communicatie tussen zorgverleners en patiënten zijn al allerlei websites en apps beschikbaar.’ ‘Maar ziekenhuizen zijn er nog niet voor ingericht, dus deze ‘eHealth’ wordt nog veel te weinig gebruikt. Doodzonde, want met dit soort technieken kunnen we hartklachten in een veel eerder stadium opsporen, en ze met relatief eenvoudige middelen bestrijden. Zo voorkomen we verdere schade aan het hart én besparen we veel patiënten een vervelende ziekenhuisopname.’